Mijn modelbaan heeft als voorbeeld de Franse spoorwegen. Daarom richt ik mij primair op Franse locomotieven en treinen. Er rijden stoomlocomotieven, elektrische locomotieven en diesellocomotieven, plus allerlei autorails, TGV’s en treinstellen. Ze zijn er in vele soorten en maten. Hierna volgt een beschrijving van een aantal kenmerkende Franse locomotieven en treinen uit mijn verzameling.
Stoomlocomotieven
Elektrische locomotieven
Diesellocomotieven
Autorails
Nummering van Franse locomotieven
De nummering van Franse locomotieven vindt geheel plaats volgens de bekende Franse logica. Stoomlocomotieven hebben een nummering, afhankelijk van de as-indeling. Elektrische locomotieven en diesellocomotieven hebben een andere nummering, afhankelijk van de bouwserie. Uiteindelijk is die gestroomlijnd tot een getal van zes cijfers.
Stoomlocomotieven
Franse stoomlocomotieven worden primair geïdentificeerd door de as-indeling. Die wordt aangeduid met een driecijferig getal, waarbij het eerste cijfer het aantal voorloopassen aangeeft, het tweede cijfer het aantal aangedreven assen en het derde cijfer het aantal assen daarachter. Een 241 wil dus zeggen dat er eerst een draaistel komt met twee assen, gevolgd door vier aangedreven assen en tenslotte nog een enkele niet-aangedreven as daarachter. Als er geen loopassen zijn, wordt dat aangegeven met een 0. Dus 030 wil zeggen: geen loopassen, alleen drie aangedreven assen.
Daarna volgt een hoofdletter, die aangeeft welke serie het betreft. Een 231 A is dan ouder dan een 231 B. Ten slotte volgt dan het serienummer binnen de serie. De 241 P 7 is dus de 7e locomotief in de 16e serie (P is de 16e letter van het alfabet) met as-indeling 241. Maar hierin zijn de Fransen niet altijd heel consequent. De X en de Y verwijzen naar stoomlocomotieven van niet-Franse oorsprong (lees: herstelbetalingen na WWII).
Dan volgt een aanduiding van de tender. Op dat vlak zijn er twee soorten stoomlocomotieven: tenderlocomotieven, waarbij water en kolen zich in de locomotief zelf bevinden, en locomotieven met een losse tender voor water en kolen.
Als het een tenderlocomotief betreft, wordt het getal van de as-indeling gevolgd door een T, bijvoorbeeld 141T A 416. Een losse tender wordt aangeduid met een T, gevolgd door de capaciteit van de watertank in m³ en dan weer de letter van de serie (vaak gelijk aan die van de locomotief waar de tender bij hoort) en het serienummer. Dan krijg je dus een aanduiding als 141 R 1244 – T36 R 1246.
Sommige locomotieven hebben een bijnaam, afhankelijk van de as-indeling:
- 141 Mikado (Americaine)
- 150 Decapod
- 231 Pacific
- 241 Mountain (Montagne)
Elektrische locomotieven en diesellocomotieven
Ook elektrische locomotieven en diesellocomotieven worden aangeduid met de as-indeling, maar hierbij wordt het aantal aangedreven assen aangeduid met een hoofdletter. Bij deze locomotieven zijn de assen vaak ondergebracht in draaistellen. Elk draaistel wordt aangegeven met een ‘ (apostrof). Een o geeft aan dat de assen individueel worden aangedreven, dus met elke as een eigen motor.
De meest voorkomende as-indelingen zijn:
- BB – twee draaistellen met ieder twee aangedreven assen – Bo’Bo’
- CC – twee draaistellen met ieder drie aangedreven assen – Co’Co’
- A1A A1A – twee draaistellen met ieder twee aangedreven assen en daartussenin één loopas; hierbij dient de loopas om de asdruk van de locomotief te verlagen.
- 2D2 – een draaistel met twee loopassen, gevolgd door vier aangedreven assen, gevolgd door een draaistel met twee loopassen; dit betreft de oudste elektrische locomotieven, die qua bouwwijze nog veel leken op stoomlocomotieven.
Na de as-indeling volgt de serie inclusief serienummer. De series zijn als volgt:
- 00 t/m 99 elektrische locomotieven voor gelijkstroom (1.500 V of 3.000 V)
- 10 t/m 19 elektrische locomotieven voor wisselstroom ( 15.000 V of 25.000 V)
- 20 t/m 29 elektrische locomotieven voor twee stroomsoorten
- 30 t/m 39 elektrische locomotieven voor drie stroomsoorten
- 40 t/m 49 elektrische locomotieven voor vier stroomsoorten
- 60 t/m 69 oudere, veelal lichtere diesellocomotieven
- 70 t/m 79 nieuwere, sterkere diesellocomotieven
Daarna volgt het cijfer van de onderserie en ten slotte volgt het tweecijferige nummer binnen de serie. Dat brengt het totaal op vijf cijfers. Voorloopnullen worden weggelaten. De BB 27 is dus eigenlijk de BB 00027. Een BB 7217 heeft twee draaistellen met ieder twee aangedreven assen, is een elektrische gelijkstroomlocomotief, de 17e van serie 07, onderserie 2.
Locomotieven voor twee stroomsoorten zijn vaak afgeleid van locomotieven voor één stroomsoort. In dat geval worden de series bij elkaar opgeteld. De BB 22300 is bijvoorbeeld een locomotief voor twee stroomsoorten, de 300e locomotief van serie 22. Serie 22 is een combinatie van de BB 7200 (gelijkstroom, serie 07) en de BB 15000 (wisselstroom, serie 15).
Aan het eind van de vorige eeuw vond er een hernummering plaats. De as-indeling verdween uit het locomotiefnummer en elk locomotiefnummer kreeg een voorloopcijfer dat aangeeft aan welk bedrijfsonderdeel de loc is toegewezen. Die bedrijfsonderdelen zijn:
- 1 – Voyages TGV (Train à Grande Vitesse) en langeafstandsdiensten
- 2 – Intercités Klassieke langeafstandstreinen
- 4 – FRET Goederenvervoer
- 5 – TER (Transport Express Régional) – Regionale treinen
- 6 – Infra Infrastructuur / onderhoud
- 7 – Départemental Interne diensten
- 8 – Transilien Voorstadstreinen rond Parijs
Bijvoorbeeld de BB 8601 die onder FRET rijdt, krijgt nummer 408601: 4 = FRET, 086 = serie 8600 (met voorloop 0), 01 = individueel volgnummer. En de A1A A1A 68010 wordt 468010.
Autorails
Een Autorail is een klein en licht treinstel voor secundaire lijnen, bestaande uit een, twee of drie bakken. Bij de oprichting van de SNCF in 1938 waren er al autorails in dienst bij de verschillende Franse spoorwegen, die bij de SNCF werden omgenummerd en ondergebracht in aparte series. De nummering wordt voorafgegaan door een X, gevolgd door de serie en het nummer binnen de serie.






































