
Als 3D-printer gebruik ik de Creality CR-10 Smart Pro. Deze kan objecten printen met een maximale afmeting van 30 x 30 x 30 cm.
Voordat je iets kunt printen, moet je het eerst ontwerpen. Dat doe ik met het programma TinkerCad, het (gratis) kleine broertje van AutoCad. Hierbij kun je allerlei basisvormen selecteren, die je vervolgens kunt aanpassen. En alle element kun je draaien en verplaatsen, ook in de hoogte.
Zo maak je van een kubus van 20 x 20 x 20 mm (een standaard element) makkelijk een plaat van 80 x 25 en 1 mm dik, door simpelweg de maten aan te passen naar 80 x 25 x 1. Of een paaltje van 3 x 3 x 20 mm. Een cilinder kun je omvormen tot een ronde staaf, etc. Vervolgens maak je per element een onderscheid tussen een vaste vorm en een gat. Een gat is dan een uitsparing.
Wil je bijvoorbeeld een gevel maken met daarin een venster, dan definieer je eerst de gevel (een plaat) als vaste vorm en vervolgens het venster (een blok met de juiste maten) als gat. Het venster positioneer je dan op de juiste plaats in de gevel en vervolgens voeg je ze samen. Het gevolg is dat er een gat in de gevel zit ter grootte van het venster.
Als je op deze wijze de hele gevel hebt ontworpen in TinkerCad, moet dat bestand nog geschikt gemaakt worden voor de 3D-printer. Dat gebeurt met een zgn. slicer, die laag voor laag aangeeft hoe de printkop moet bewegen en waar hij het filament (een soort plastic draad op een rol) moet printen. Daarvoor gebruik ik het programma Ultimaker Cura.